|
Structuur van de richtlijn
De aanbevelingen in deze voedingsrichtlijn hebben betrekking op zowel
de preventie, als de behandeling van decubitus. Indien de adviezen alleen
gerelateerd zijn aan de behandeling van decubitus, zal dit apart aangegeven
worden in de tekst.
Opgemerkt moet worden dat de EPUAP alle adviezen als relevant beschouwt,
ongeacht de mate van bewijsvoering waarop ze zijn gebaseerd. Indien er
bij bepaalde aanbevelingen geen niveau van bewijsvoering staat vermeld,
moet deze aanbeveling worden beschouwd als een niveau IV, D aanbeveling.
Screening en bepaling van de voedingstoestand
De screening en beoordeling van de individuele voedingstoestand kan uitgevoerd
worden met behulp van een aantal methoden, variërend van beoordelingsschalen
zoals de Subjective Global Assessment (Destky et al, 1987) tot de relatief
eenvoudige bepaling van de lengte en het gewicht (gecombineerd als de
Body Mass Index). Sommige bepalingen (zoals lichaamslengte, laboratoriumonderzoeken
en meting van de huid-plooidikte) zijn echter niet altijd beschikbaar
en/of makkelijk toepasbaar in elke zorginstelling.
Ongewenst gewichtsverlies (= 10% van het normale lichaamsgewicht in de
laatste 6 maanden, of = 5% in de laatste maand) kan een indicatie zijn
voor ondervoeding. Waar mogelijk moeten de eventuele redenen voor dit
ongewenste gewichtsverlies bij de patiënt nagegaan worden.
Nauwkeurige meting van gewicht en lengte, en dus de Body Mass Index, kan
problematisch zijn in zorginstellingen door het niet beschikbaar zijn
van de benodigde middelen, of door problemen bij het meten van de lengte
bij bepaalde patiëntengroepen. Door een veranderende lichaamssamenstelling
zijn BMI metingen minder valide bij bepaalde patiëntengroepen, zoals
zeer oude patiënten en kinderen.
Het wegen van patiënten moet volgens een gespecificeerd protocol
gebeuren. In het ideale geval zou iemand steeds op een zelfde moment van
de dag gewogen moeten worden met gebruikmaking van dezelfde weegschaal,
met een passend weegbereik (tot 350 kg). Voor het wegen, moeten bovenkleding
en schoenen worden uitgedaan. Indien mogelijk, zou het wegen bovendien
elke keer door dezelfde persoon moeten gebeuren. Naast het lichaamsgewicht,
is de middelomtrek een betrouwbare parameter voor de intra-abdominale
vetmassa. De middelomtrek moet gemeten worden in de middelste axillairlijn,
halverwege tussen de bekkenkam en de ribbenboog.
De bepaling van de voedingstoestand kan mede geschieden door de voedingsinname
van de afgelopen 1, 3 of 7 dagen te registreren. Dit kan gebeuren met
behulp van de 24 hour recall-methode, met behulp van voedingslijsten die
door de patiënt zelf of door de verzorging worden ingevuld of met
behulp van een diëtist, indien deze beschikbaar is. Het is uiteraard
belangrijk om na te gaan waarom de inname van voeding en vocht is zoals
gerapporteerd.
Biochemische bepalingen in het bloed, zoals de bepaling van albumine,
hemoglobine en kalium, kunnen nuttig zijn bij het bepalen van de voedingstoestand
van de patiënt, ofschoon deze in het algemeen meer informatie geven
over chronische dan acute ondervoeding. In het algemeen echter is het
onwaarschijnlijk dat deze bepalingen meer informatie verschaffen dan andere
indicatoren zoals ongewenst gewichtsverlies. Toch laat een aantal studies
een verband zien tussen het serum albumine en decubitus.
Steeds vaker worden tegenwoordig ook screenings- of scorelijsten gebruikt
voor het bepalen van de voedingstoestand van patiënten met (een risico
op) decubitus. Deze scorelijsten moeten uiteraard gevalideerde en betrouwbaar
zijn en ze mogen nooit de klinische beoordeling vervangen. Het gebruik
van gevalideerde voedingsscorelijsten kan zinvol zijn bij het bewust worden
van de noodzaak om bij het bepalen van het risico op het ontwikkelen van
decubitus ook naar de voedingstoestand te kijken.
Het is erg belangrijk om de voedingstoestand van de patiënt te blijven
volgen in navolging van een individueel en periodiek beoordelingsplan
met evaluatiedata. De frequentie van de bepaling van de voedingstoestand
moet daarbij bepaald worden aan de hand van de conditie van de patiënt
en bovendien is deze afhankelijk van specifieke gebeurtenissen, zoals
een operatie, de ontwikkeling van een infectie en/of andere katabole processen,
die invloed kunnen hebben op de voedingstoestand van de patiënt.
Resteert tenslotte dat ook een goede klinische beoordeling van de patiënt
een redelijke indruk kan geven van de voedingstoestand. Daarbij dient
overigens ook rekening gehouden te worden met het feit dat een eventueel
aanwezig overgewicht voedingsdeficiënties kan maskeren. Patiënten
met ernstig overgewicht kunnen toch ondervoed zijn.
Voedingsinterventie
Als uit de beoordeling van de voedingstoestand blijkt dat er sprake is
van ondervoeding, moet een voedingsinterventie worden overwogen. Het voornaamste
doel van een voedingsinterventie is in het algemeen het corrigeren van
het aanwezig eiwit- en energietekort via de normale voeding. Bij het beoordelen
van eventuele beperkingen in de normale voedings- en vochtinname, moet
ook de omgeving betrokken worden. Daarmee wordt ondermeer bedoeld de toegankelijkheid
tot de voeding, de sociale en functionele aspecten en uiteraard de consistentie
van de voeding zelf. Veranderingen in deze factoren kunnen de voedingsinname
verbeteren of faciliteren.
In algemene zin moet meer gelet worden op de kwaliteit en de energiedichtheid
van de voedingsinname dan op de kwantiteit van de voedingsinname. Ten
aanzien van de vochtinname zijn de kwantiteit en kwaliteit van even groot
belang.
Indien verbetering van de voedingsinname via de normale voeding niet mogelijk
is, dient men de toediening van eiwit- en energierijke orale supplementen
te overwegen (Aanbeveling 1B; Benati et al 2001, Bourdel-Marchasson et
al 2000, Breslow et al 1993, Chernoff et al 1990, Delmi et al 1990). De
waarde van de suppletie van vitamines en spore-elementen bij de preventie
van decubitus is nog onduidelijk (Aanbeveling 1B; Taylor et al 1974, ter
Riet et al 1995).
Wanneer normale voeding en/of orale suppletie de aanwezige ondervoeding
niet kunnen opheffen, dienen andere mogelijkheden (bijvoorbeeld sondevoeding)
toegepast te worden, waarbij rekening gehouden moet worden met de risico’s
die hiermee kunnen samenhangen.
Ondanks het feit dat de voedingsbehoefte per individu kan verschillen,
kunnen er wel algemene richtlijnen gegeven worden. Een individu heeft
minimaal 30–35 kcal/kg/dag aan energie nodig, 1–1,5 g/kg/dag
aan eiwit en 1 ml/kcal/dag aan vocht.
Een maat voor de energiebehoefte kan verkregen worden door toepassing
van formules, zoals de Harris-Benedict formule of de Schofield formule.
Het is echter aan te bevelen om dit door een diëtist (indien beschikbaar)
te laten geschieden of door een multidisciplinair team.
Het succes van de voedingsinterventie moet regelmatig geëvalueerd
worden op basis van de follow-up van de voedingstoestand. Indicaties van
succes zijn ondermeer gewichtstoename, verbetering van het functioneren
van de patiënt en toename van de kwaliteit van leven. Een succesvolle
voedingsinterventie kan tenslotte ook blijken uit een verminderde incidentie
van decubitus en uit de genezing van reeds aanwezige decubitus.
De effecten van voedingsinterventie zijn overigens, zeker bij aanwezige
onder-voeding, niet altijd direct zichtbaar, waarschijnlijk omdat eerst
de lichaamsreserves aangevuld moeten worden.
Wanneer patiënten reeds decubitus hebben, moet in feite een vergelijkbare
strategie van voedingsinterventie overwogen worden (normale voeding, dan
orale supplementen en tenslotte sondevoeding), alhoewel de voedingsbehoefte
veelal groter zal zijn.
De rol van voedingsdeficiënties bij de genezing van decubitus is
te destilleren uit diverse gecontroleerde onderzoeken. Suppletie van eiwit
en energie, tezamen met het gebruik van arginine, vitamines, spore-elementen
en antioxidanten, blijkt een positieve invloed te hebben op de wondgenezing
(Aanbeveling 1B; Benati et al 2001, Bourdel-Marchasson et al 2000, Breslow
et al 1993, Chernoff et al 1990, Delmi et al 1990)). Het bewijs voor het
belang van vitamine C suppletie is vooralsnog twijfelachtig (Aanbeveling
1B; Taylor et al 1974, ter Riet et al 1995) en dat voor zinksuppletie
is zelfs zwak (Aanbeveling 1B; Norris 1971).
In het voedingsbeleid zullen ook eventuele specifieke problemen opgelost
moeten worden, bijvoorbeeld aandacht voor de wondgeur, het veranderde
zelfbeeld en de pijn geassocieerd met decubitus, aangezien deze ook de
voedingsinname kunnen beperken.
Bij patiënten met ernstige decubituswonden (graad 3 en 4), moet het
multi-disciplinaire team bovendien extra rekening
houden met het basale energieverbruik en ook extra aandacht schenken aan
het vaak verhoogde vochtverlies.
Het zal duidelijk zijn dat beoordeling van de voedingstoestand en voedingsinter-ventie
uiteraard gecombineerd moeten worden met andere noodzakelijke interventies,
waaronder bijvoorbeeld het verminderen van de druk.
Deze richtlijn gaat niet in op enkele specifieke kwesties – bijvoorbeeld
de bepaling van de voedingstoestand en voedingsinterventie bij neonaten
en kinderen, de rol van parenterale voeding en de specifieke behoeften
van individuele patiëntengroepen zoals patiënten met een onderdrukt
immuunsysteem, kankerpatiënten, orthopedische patiënten, trauma-
en chirurgische patiënten, dwarslaesiepatiënten en patiënten
met brandwonden. Ook farmacologische interventies, zoals het gebruik van
anabole steroïden worden niet beschreven.
Alle beslissingen die op basis van de voorgaande aanbevelingen aangaande
de bepaling van de voedingstoestand en voedingssuppletie genomen worden,
moeten uiteraard passen bij de keuzes van de patiënt en ook in overeenstemming
zijn met de algemene doestellingen van de totale behandeling.
Published
in 2003.
|